Inleiding
Het gebruik van social media is niet meer weg te denken. Naast vertier zorgt het gebruik van social media zoals we weten ook geregeld voor juridische hoofdbrekens.

Ik schreef al eerder over social media binnen het arbeidsrecht. Toen besprak ik een uitspraak specifiek over Twitter en arbeidsrecht (dit artikel is hier nog eens na te lezen). Nu bespreek ik een uitspraak van de voorzieningenrechter in Rotterdam van 29 augustus 2012. Hier speelt niet het gebruik van Twitter, maar het gebruik van Facebook. De voorzieningenrechter komt tot een – mijns inziens – merkwaardig oordeel.

De feiten
De werknemer in deze zaak was in dienst van (de rechtsvoorganger van) Gosh Sports & Healthclub B.V. (“Gosh”). In augustus 2011 hebben partijen het dienstverband met wederzijds goedvinden beëindigd, per 1 december 2011. De afspraken hebben zij vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. Waaronder de afspraak dat de werknemer gedurende 12 maanden (i) geen concurrerende activiteiten met Gosh zal uitvoeren (het beding is territoriaal beperkt tot Rotterdam-Zuid) (concurrentiebeding) en (ii) geen personeel of klanten van Gosh benaderen voor zakelijke doeleinden (relatiebeding). Per overtreding van deze bepaling(en) is werknemer een boete verschuldigd van € 5.000.

De werknemer start per februari 2012 een eigen sportschool, genaamd The Training Room. Hij doet dit samen met een andere ex-werknemer van Gosh.

Gosh komt hier achter en deelt de werknemer schriftelijk mede dat hij het relatiebeding uit de vaststellingsovereenkomst heeft geschonden. Gosh stelt dat de werknemer met een andere werknemer van Gosh een nieuwe onderneming is gestart en hij een groot aantal leden van Gosh voor zakelijke doeleinden via Facebook heeft benaderd. Aangezien The Training Room in een ander stuk van de stad is gevestigd, is het concurrentiebeding hier verder niet relevant.

Gosh vordert meerdere boeten, een totaalbedrag van € 50.000, en legt derdenbeslag op bankrekeningen van de werknemer. De werknemer vordert in deze kort geding procedure om de beslagen op te heffen.

Beoordeling voorzieningenrechter
Ten eerste beoordeelt de voorzieningenrechter de overtreding ten aanzien van zakelijke contacten met werknemers van Gosh. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat de werknemer het relatiebeding op dit punt in ieder geval heeft overtreden. De werknemer is immers met een werknemer van Gosh de nieuwe onderneming begonnen. De voorzieningenrechter kwalificeert dit als één overtreding, waarvoor werknemer een boete van € 5.000,00 verschuldigd is.

Ten aanzien van het benaderen van relaties van Gosh via Facebook, moet de vraag beantwoord worden: ‘of de werknemer met het delen/plaatsen van wervende berichten (zie onderstaand) op Facebook het relatiebeding heeft overtreden en of daarmee, gelet op het mogelijke bereik van de gedeelde/geplaatste berichten, sprake is van één dan wel meerdere overtredingen, waarmee een boete is verbeurd.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de werknemer de volgende (status)berichten van The Training Room via Facebookpagina heeft gedeeld:

‘Vandaag start de voorverkoop om lid te worden van The Training Room! Kijk op de website voor de aanbieding. Voorkom een wachtlijst en maak nu vast een afspraak. thetrainingroom.nl’.

‘The Training Room, for body & soul opent zijn deuren op dinsdagavond 10 april a.s. vanaf 19.00 uur. Er is dan een gezellig borrel en iedereen is welkom! Neem leuke en vrolijke bekende mee! Zet het in je agenda. Tot dan!’

De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze berichten niet kunnen worden opgevat als slechts een poging van de werknemer tot het enkel doen van een kennisgeving aan informele en vriendschappelijke contacten. Gelet op de letterlijke tekst van de berichten en de startfase waarin The Training Room zich op dat moment bevond is voor de voorzieningenrechter duidelijk dat de werknemer met het delen/plaatsen van die berichten beoogd heeft actief klanten te werven voor The Training Room. Deze handelingen kunnen volgens de voorzieningenrechter dan ook niet geacht worden te zijn geschied in de privésfeer van de werknemer (en dus vallende onder het grondrecht van vrije meningsuiting), maar moeten worden aangemerkt als berichtgeving op initiatief van de werknemer met een duidelijk zakelijk karakter. Volgens de voorzieningenrechter heeft de werknemer daarmee het relatiebeding op het eerste gezicht (minimaal) twee keer overtreden, waarmee aannemelijk is dat hij boetes heeft verbeurd van in totaal € 10.000.

De voorzieningenrechter oordeelt verder dat de geconstateerde overtredingen van de werknemer zijn begaan door het enkele plaatsen/delen door hem op Facebook van de betreffende berichten, waarmee de werknemer klanten van Gosh heeft kunnen bereiken. Dat deze berichten specifieke klanten van Gosh daadwerkelijk hebben bereikt, acht de voorzieningenrechter daarbij niet van belang.

De voorzieningenrechter acht het dus aannemelijk dat de werknemer in totaal een boete van € 15.000 heeft verbeurd. Tot dit bedrag (verhoogd met rente/kosten) kan het gelegde beslag standhouden, voor het meerdere moet het beslag worden opgeheven.

Conclusie
Dat de voorzieningenrechter voor het gebruik van Facebook een inbreuk aanneemt, los van de vraag of er daadwerkelijk relaties zijn bereikt, vind ik – op zijn zachts gezegd – opmerkelijk. Het is nu aan de bodemrechter om zich hierover uit te laten.

Uiteraard is alles afhankelijk van de specifieke omstandigheden, maar als de rechter in de bodemzaak dezelfde lijn volgt als de voorzieningenrechter, zal dit grote gevolgen kunnen hebben voor het arbeidsrecht en de vrijheid waarmee social media gebruikt kunnen worden.

Jelle Splinter
Advocaat bij SPLNTR advocatuur, Leiden